Het is een dag zoals er dertien in een dozijn zijn. Ik kijk naar ‘Het Journaal’ zoals ik dat wel meer doe op gewone dagen. Een journalist zegt zonder emoties dat er in een ver land weer eens een 100tal onschuldige kinderen slachtoffer zijn geworden van zinloos geweld. Zonder emoties. Zouden sommige mensen geen emoties (mogen) hebben? Wel, voor deze bijdrage wil ik me eens niet verstoppen achter een veilige omheining van humor. Ik wil u iets vertellen…
Mijn stille sterven
Is ze weg? Is ze eindelijk weg? Uren heb ik zitten wachten. Tot ze eens een boodschap zou gaan doen, een praatje met de buurman zou gaan maken of van de trap zou vallen. Ik schrik even van mezelf want ik heb het nog steeds over mijn moeder. Wie zou er trouwens de vrouw die hem of haar op de wereld heeft gezet iets willen aandoen? Een verzachtende omstandigheid is wel dat ik nog maar een ukje van vijf jaar ben.
Mijn bedoelingen zijn niet crimineel. Zeker niet. Ik ken een jongetje van vijf dat eens bijna het ouderlijk huis in brand heeft gestoken. Zo vurig ben ik nu ook weer niet, maar ik brand wel van verlangen. Snoep wil ik, snoep!. De snoep wordt in de bovenste kast bewaard want daar kan ik volgens mijn moeder niet aan. Snoepen mag van haar, maar slecht eenmaal per week want anders word ik te dik. En het is natuurlijk ook slecht voor de tandjes,… Ik neem een stoel en als een volleerd acrobaat baan ik mij een weg naar de bovenste kast. Ik zie de “snoepdoos” al staan en ben klaar om de inhoud te verorberen zoals een wild beest wel eens doet met zijn prooi. Trillend houden mijn beide handen ze vast. Mijn linkerhand kan zich al niet meer bedwingen en gaat al op zoek naar wat zoetigheid. Er steken al wat zuurtjes in mijn mond, ik steek een lolly achter mijn oor. Niemand anders thuis, enkel ik en de snoepdoos. Geen enkel geluid, geen piepende muis, geen zingende buurvrouw.
Toch voel ik iets. Ik voel ogen branden op mijn rug. Elke beweging die ik maak wordt nauwkeurig in het oog gehouden. Ik draai me op en kijk mijn moeder recht in de ogen. Een ordinaire dief ben ik. Geen woord heeft ze gezegd. Als een dief in de nacht sloop ik naar mijn kamer. Aan een simpele ‘sorry’ heb ik zelfs niet eens gedacht. Die dag heeft ze geen woord meer tegen mij gezegd. Ik ben toen door de afschuwelijke stilte voor de eerste maal “gestorven”.
We zijn nu dertien jaar verder. Weer voel ik die brandende ogen op mijn rug. Ik haal enkele spullen uit mijn jas: kauwgom, een tijdschrift, enkele aanstekers en nog wat kleine prullen. Deze keer is het niet mijn moeder, maar de winkeljuffrouw die naar me kijkt. Een ordinaire dief ben ik. Betrapt op winkeldiefstal. Ik schrik van mezelf. Betrapt zoals een kleine jongen die stiekem wat snoep steelt. De winkeljuffrouw, de klanten, de zogenaamde “ramptoeristen,… niemand zegt iets, maar hun gezichten zeggen meer dan duizend woorden. Deze keer geen kamer om naar toe te vluchten. Iedereen blijft me aanstaren, het blijft echter muisstil. Het stille sterven. Buiten hoor ik sirenes loeien…
Kleine jongens worden groot, grote jongen worden klein.
door: Canasaricus
|